donderdag, maart 26, 2026

Het Onze Vader

 Het Onze Vader

1.Onze Vader,

2.die in de Hemelen zijt,

3.geheiligd zij Uw Naam,

4.Uw Rijk kome,

5.Uw Wil geschiede op aarde als in de Hemel.

6.Geef ons heden ons dagelijks brood

7.en vergeef ons onze schulden,

8.gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren

9.En leid ons niet in bekoring

10.maar verlos ons van het kwade.

Amen.

Het Onze Vader is het meest verbreide christelijke gebed en dateert uit de eerste eeuw. Het gebed richt zich tot God en is volgens het evangelie door Jezus Christus zelf aan zijn volgelingen geleerd.

 Men vindt het gebed in de bijbel in Matteüs 6: 9-13 bij de bergrede en in Lucas 11: 2-4. De oudste teksten van het Onzevader die zijn overgeleverd, zijn geschreven in het Koinè-Grieks. Katholieken in Nederland gebruiken een andere vertaling dan katholieken in Vlaanderen. Het hierboven vertaalde gebed is de versie van Matteüs.

Waarvoor bidt men?

De eerste 5 regels gaan over God. Hij is onze Vader, hij woont in de hemel, zijn naam is heilig, er komt een nieuw samenstel van dingen zonder zonden en hij is de soevereine heerser over het zichtbare en onzichtbare.

In regel 6 vraagt de bidder God om hem te geven wat hij in het dagelijkse leven nodig heeft.

De volgende twee regels gaan over vergeving vragen en vergeving geven.

De voorlaatste zin van het gebed is doeltreffend wanneer men in een crisis situatie verkeerd waarbij men de nabijheid van het boze voelt. De duivel zal wijken bij het bidden van het Onze Vader.

In de laatste regel geeft de mens toe dat hij onder invloed staat van het  kwade. Hij vestigt zijn hoop op God om ooit definitief van het boze verlost te worden.

 De noodzaak van vergeving

 In het Onze Vader bidt men om vergeven te worden en vergeving te geven. Het zijn belangrijke voorwaarden om eeuwig leven te bekomen.

De gelijkenis van de slaaf die niet wilde vergeven (Matteus 18: 21-35)

Wat aan de gelijkenis vooraf ging:

Jezus had richtlijnen gegeven wat de christen moest doen als zijn broeder zondigt ( Matteus 18: 15-17 ).

De bedoeling hiervan is dat de schuldige door zachtmoedigheid de noodzaak van berouw en bekering zal inzien.

“Toen kwam Petrus bij Hem en zeide: Here, hoeveel maal zal mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe? Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal” ( Matteus 18: 21-22 ).

Vergeving vragen en vergeving schenken is één van waardevolste dingen die het leven kent, maar ook één van de moeilijkste.

– hoe moeilijk is het niet om vergeving te vragen ( bang voor vernedering en afwijzing )

– hoe moeilijk is het niet om vergeving te schenken ( bang om opnieuw gekwetst te worden )

– mensen zijn vaak in hun eer, gevoel en waarde gekwetst.

– mensen ervaren het geven van vergeving als een teken van zwakte.

Er zijn steeds 2 partijen, zij die vergeving moeten schenken en zij die vergeving nodig hebben.

-Daar waar geen vergeving is, houden relaties op te bestaan.

-Daar waar geen vergeving is, is wrok, verbittering en haat.

-Daar waar geen vergeving is, is verdriet en onverdraagzaamheid.

De  ‘wanneer’  vragen bij vergeving

-Wanneer is de maat vol? Wanneer is de grens bereikt?

-Wanneer moet ik niet meer vergeven omdat diegene die tegen mij zondigt het niet verdient?

-Wanneer moet ik zeggen ‘nu ben je te ver gegaan, mijn grens is bereikt’?

-Wanneer moet ik zeggen ‘ik kan je niet meer vergeven’?

De mens heeft de neiging om wraak te nemen voor het onrecht dat hem wordt aangedaan en noemt het dan rechtvaardigheid. Wat zei Jezus over hen die tegen Hem zondigden? ( Lukas 23: 34 ).

Hoe mensen soms omgaan met iemand die zondigt

– frontale aanval:  ‘gij grote zondaar’

– blij zijn als de persoon die jouw heeft gekwetst, onheil meemaakt

– de persoon negeren

– de zonde negeren

– een roddelcampagne beginnen, plannen maken over hoe je hem/haar terug kan pakken

– vormen van partijschappen

De gelijkenis

Het Koninkrijk der hemelen is te vergelijken met een koning die afrekening wilde houden met zijn slaven.

De slaaf en zijn heer

Toen hij daarmee begon werd een slaaf voor hem geleid die hem 10.000 talenten schuldig was.

Omdat hij het niet kon betalen, beval zijn heer om hem, zijn gezin en zijn bezit zou worden verkocht opdat er zou kunnen worden betaald. De slaaf wierp zich smekend voor hem en zei ‘Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen’. De heer kreeg medelijden met hem en liet hem vrij en schold hem de schuld kwijt.

De slaaf en zijn medeslaaf

De slaaf ging weg en ontmoette een medeslaaf die hem 100 schellingen schuldig was, hij greep hem bij de keel en zei ‘Betaal wat gij schuldig zijt’. De medeslaaf wierp zich voor hem en verzocht hem met aandrang ‘Heb geduld met mij en ik zal u betalen’. Maar hij wilde niet en zette hem gevangen totdat hij het verschuldigde zou hebben betaald.

De reactie van de heer

De medeslaven zagen wat er was gebeurd en werden verdrietig en vertelden hun heer hetgeen er was gebeurd.

De heer ontbood de slaaf en zei ‘Slechte slaaf, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, daar gij het mij dringend hadt gevraagd. Hadt ook gij geen medelijden moeten hebben met uw medeslaaf, zoals ook ik medelijden had met u?’ De meester werd toornig en gaf hem in de handen van folteraars, totdat hij het beschuldigde zou hebben betaald.

Conclusie:

“Alzo zal ook mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeft” ( Matteus 18: 35 ). “Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren”( Handelingen 3:19 ).

Vergeving is het middel waarmee we datgene dat kapot is gemaakt, terug in orde kunnen maken. De mens bezit over het vermogen om tegelijk te kwetsen en om te helen. Vergeving geeft je de vrijheid om lief te hebben, terwijl het niet geven van vergeving relaties vernietigd.

Wanneer wij worden gekwetst doen we vaak het tegenovergestelde van wat Jezus beveelt. We keren ons vaak tot haat, wrok, roddel en vergelding. De heer vergaf de schuld van de slaaf volledig, maar hij verwachtte wel dat de slaaf hetzelfde zou doen!

Lukas 17:3-4.

Wanneer wij elkaar vergeven en de houding hebben om te willen vergeven dan ontnemen wij satan zijn macht! Vergeven betekent om de schuld niet tegen de ander te houden, maar om deze van harte kwijt te schelden.

Efeziërs 4:32-5:1-2

“Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft. Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk”.

Wanneer we geconfronteerd worden met moeiten om een broeder of zuster te vergeven, laten we dan kijken naar de vergeving die God jou heeft geschonken. Christus vergeeft veelvoudig! Vergeet daarbij niet dat God een oordeelt velt over hen die niet bereid zijn om te vergeven.

1 Timoteus 1:12-13

“Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven”.

Matteus 6:14-15.

Hoeveel maal zal mijn broeder tegen mij zondigen en zal ik hem vergeven? ALTIJD!

Hebreeën 10:17

Wat wij van God willen is dat Hij ons altijd vergeeft, God gedenkt onze zonden niet meer.


zondag, november 16, 2025

De hypocrisie van de “joods-christelijke beschaving”

 Michael Srba-Deywicz  

Wanneer de bezorgde westerse politici vandaag de dag plechtig verwijzen naar “onze joods-christelijke wortels”, voel ik vooral verontwaardiging: het is een belediging verpakt als lofrede. Welke “beschaving” bedoelen zij eigenlijk? Die van kerkvaders die de Jood tot uitgerekend 'christusdoder' verklaarden? Die van vorsten, die pogroms en uitwijzingen organiseerden? Of die van schrijvers en kunstenaars die de jood in hun meesterwerken verachtten en bespotten? De term “joods-christelijk” is niet alleen een historische leugen, maar ook een cynische poging om Europa’s eigen antisemitische erfgoed wit te wassen.

Tweeduizend jaar lang was Europa niet “joods-christelijk” maar apert anti-Joods. De befaamde inquisitie, de kruistochten, de getto’s en de pogroms waren geen incidenten, maar systemische elementen van onze Europese cultuur. De Franse historica Sophie Bessis wijst erop dat de Jood tot in de 19e eeuw gold als “oriëntaal”, met andere woorden: een buitenstaander in Europa. Pas na Auschwitz werd de Jood retorisch plots ingelijfd als medegrondlegger van de Europese beschaving. Dat was geen historisch inzicht, maar een schaamlap om de eigen misdaden zo veel mogelijk te verhullen.

Nog pijnlijker wordt de hypocrisie wanneer we beseffen dat antisemitisme niet alleen in preken en pamfletten (theologische of politiek) te vinden was, maar ook in de rijke canon van de Europese literatuur: In Frankrijk schetsten gevierde schrijvers als Guy de Maupassant en Alphonse Daudet gierige, karikaturale joodse personages. Het antisemitische cliché van de joodse geldwolf werd in romans net zo vanzelfsprekend herhaald als in politieke pamfletten. Édouard Drumont’s bestseller La France juive (1886) – half pamflet, half literatuur – gaf notabene de Dreyfus-affaire haar culturele bedding.

In Duitsland schreef componist Richard Wagner zijn beruchte traktaat Das Judenthum in der Musik (1850/1869), waarin hij Joden als een parasitaire kracht in de kunst neerzette. In Rusland karikaturiseerde Nikolaj Gogol in Taras Bulba (1842) de jood als laffe verrader en woekeraar, terwijl Dostojevski in zijn Dagboek van een schrijver (1873–1881) openlijk antisemitische complottheorieën verspreidde.

In Engeland maakte Charles Dickens van Fagin in Oliver Twist (1837–1839) een beruchte antisemitische karikatuur; hij werd overal “the Jew” genoemd (Leavis, 1970). Maar zelfs tot in de 20e eeuw klonk het nog door: T.S. Eliot liet in gedichten als Burbank with a Baedeker: Bleistein with a Cigar (1919) het antisemitisch stereotype voortleven.

Wie dus beweert dat de Europese beschaving “joods-christelijk” zou zijn, miskent dat dezelfde beschaving haar grootste literaire stemmen eeuwenlang liet bijdragen aan het vijandbeeld van de Jood.

De ironie is dat de plotselinge “liefde” voor joodse wortels de facto nauwelijks iets met respect te maken heeft. “Joods-christelijk” dient vandaag vooral om een nieuwe vijand te kunnen markeren: de islam. Europa dat eeuwenlang Joden vervolgde, gebruikt nu de Jood als alibi om moslims als groep buiten te sluiten. Ironisch genoeg, was historisch gezien antisemitisme in de islamitische wereld minder geprononceerd en structureel dan in Europa. Het is een perverse omkering: de Jood, eeuwenlang slachtoffer van christelijke haat, wordt plots maar al te graag als een knuffel-mascotte gebruikt om moslims tot buitenstaanders te verklaren.

Ook Israël heeft de term dankbaar omarmd. Herzl zelf schreef al dat een joodse staat een “muur tegen Azië” zou zijn. Israëlische leiders nog steeds presenteren hun land nu als voorpost van de “joods-christelijke beschaving”. Daarmee verkrijgen ze westerse weliswaar steun, maar verhullen ze tegelijk dat het jodendom historisch net zo goed oosterse wortels heeft — en dat Mizrahi-Joden thans binnen Israël zelf vaak gediscrimineerd worden — inderdaad, tot op de dag van vandaag zelfs!

De term “joods-christelijk” blijft dus een belediging. Het ontkent tweeduizend jaar antisemitisme, verhult dat Europa’s eigen cultuur doordrenkt was van haat tegen joden, en zet tegelijk de islam buiten spel. Voor een Jood, die deze geschiedenis gedegen kent, klinkt deze retoriek als een uiterst wrange grap. Wie werkelijk respect heeft voor geschiedenis en diversiteit, zou deze uiterst kromme ideologische karikatuur voorgoed moeten laten varen. Het is een pure fictie!


Bronnen

  • Bessis, S. (2021). La civilisation judéo-chrétienne: anatomie d’une imposture. Paris: Albin Michel.
  • Bloom, H. (2003). T.S. Eliot. New York: Chelsea House.
  • Drumont, É. (1886). La France juive. Paris: C. Marpon et E. Flammarion.
  • Frank, J. (2003). Dostoevsky: The Mantle of the Prophet, 1871–1881. Princeton University Press.
  • Herzl, T. (1988). Der Judenstaat (Oorspr. 1896). München: DTV.
  • Leavis, F. R. (1970). Dickens the Novelist. London: Chatto & Windus.
  • Marrus, M. (1971). The Politics of Assimilation: The French Jewish Community at the Time of the Dreyfus Affair. Oxford University Press.
  • Stillman, N. (1979). The Jews of Arab Lands: A History and Source Book. Philadelphia: Jewish Publication Society.
  • Wagner, R. (1995). Das Judenthum in der Musik. Leipzig: Reclam. (Oorspr. 1850/1869).

zaterdag, november 01, 2025

verschil judaisme en zionisme

Het verschil is dat het jodendom de Joodse religie en cultuur is, terwijl zionisme een politieke beweging is die streeft naar een Joodse staat in Palestina. Het jodendom is een religie die al eeuwenoud is, terwijl het zionisme een nationalistische beweging uit de 19e eeuw is, ontstaan uit de behoefte aan een veilige haven voor het Joodse volk. Niet alle Joden zijn zionisten, en niet alle zionisten zijn religieus. 

Jodendom

Wat het is: Een religie, cultuur en volk met een lange geschiedenis.

Kenmerken: Bevat religieuze teksten, wetten, tradities en rituelen.

Religieuze definitie: Het geloof in één God en het naleven van de Thora.

Spreiding: Joden wonen verspreid over de hele wereld. 

Zionisme

Wat het is: Een politieke en nationalistische beweging.

Kenmerken: Streeft naar het recht op zelfbeschikking voor het Joodse volk en de oprichting en het behoud van een Joodse staat in het historische land Israël.

Ideologie: Gebaseerd op de behoefte aan een veilige en autonome Joodse staat, deels als reactie op eeuwenlange vervolging en discriminatie.

Aanhangers: Kan zowel religieuze als niet-religieuze Joden omvatten, evenals niet-Joden die een Joodse staat steunen. 

Zionisme betekent het streven naar een onafhankelijke Joodse staat. Het woord is afgeleid van Zion, de naam van een heuvel bij de ...


Geloofsartikelen van Maimonides

 

Mozes Maimonides (Hebreeuws: משה בן מימון, Mosje ben Maimon, Arabisch: Moesa ibn Maimon, موسى بن ميمون), ook bekend als Rambam, (Córdoba (Spanje), 30 maart 1138 – Fustat (Caïro), 13 december 1204) was een rabbijn, rechtsgeleerde, filosoof en arts. Hij wordt beschouwd als de belangrijkste rabbijn uit het post-Talmoedisch jodendom. Zijn filosofische werk heeft tot op de dag van vandaag grote invloed, zowel op het joodse denken als daarbuiten.

Het jodendom kent een aantal geloofsbeginselen, maar er is nooit een bindende catechismus ontwikkeld. Er is dus geen formeel overeengekomen dogma of reeks van religieuze geloofspunten. Er zijn wel pogingen gedaan om tot een definitie van de joodse geloofsinhoud te komen, maar algemeen aanvaard werden die nooit. Het meeste gezag hebben de dertien geloofsartikelen van Maimonides. Die komen in het kort hierop neer:


God bestaat

God is één (dus geen Drie-eenheid)

God is niet fysiek

God is eeuwig

God is enig

De woorden van de Joodse profeten zijn waar

Mozes is de voornaamste profeet

De Thora is de primaire tekst van het jodendom

Er zal nooit een nieuwe Thora komen

God is alwetend

God beloont degenen die de geboden naleven en straft hen die ze overtreden

De Messias zal komen

Ooit zullen de doden herrijzen

vrijdag, oktober 24, 2025

Want wie gestorven is, is van [zijn] zonde vrijgesproken

 De uitspraak, die afkomstig is uit de Bijbel (Romeinen 6:7), betekent dat een overleden persoon niet meer schuldig kan worden bevonden voor zonden, omdat hij of zij "sterft aan de zonde" en daardoor vrijgesteld is van de macht van de zondeMet de dood van het lichaam wordt de zonde als het ware gestopt; er kan geen actie meer worden ondernomen, noch actieve daden van zonde, noch kan men beschuldigd worden van deze daden. 

  • Christelijke interpretatie
    Deze tekst is een belangrijk onderdeel van de christelijke leer, waarin gelovigen worden geleerd dat ze zich moeten zien als 'dood' voor de zonde door hun verbinding met Christus.
  • Verbinding met Christus
    De theologie hierachter is dat de dood en opstanding van Jezus gezien wordt als een gebeurtenis die de zonde voor eens en altijd heeft overwonnen. Omdat gelovigen 'met Christus' gestorven zijn, zijn ze niet meer gebonden aan de zonde.
  • Praktische betekenis
    De uitspraak betekent dat een gestorvene niet meer actief kan zondigen, en dat er ook geen beschuldigingen meer tegen hem of haar kunnen worden ingebracht. Er geldt geen enkele beschuldiging meer.

zondag, september 21, 2025

De Zeven Wetten van Noach

 De Zeven Wetten van Noach, of Noachitische Geboden, zijn een set van zeven universele leefregels die volgens de Joodse traditie aan alle mensen zijn gegeven na de Zondvloed, en die als minimale richtlijnen voor een beschaafde samenleving dienen. Deze geboden omvatten: het verbod op afgodendienst, het vervloeken van God, moord, diefstal, seksuele immoraliteit (zoals overspel en incest), het eten van vlees uit een levend dier, en het verplichte instellen van rechtbanken om gerechtigheid te handhaven. 

De Zeven Wetten in detail:
  1. Rechtvaardigheid: Het oprichten en handhaven van rechtbanken om rechtvaardigheid in de samenleving te bewerkstelligen. 
  2. Godslastering: Het verbod op het vervloeken van God of het beschimpen van Zijn Naam. 
  3. Moord: Het verbod op het doden van een menselijk wezen. 
  4. Dieven: Het verbod op diefstal en het toe-eigenen van de bezittingen van anderen. 
  5. Seksuele immoraliteit: Het verbod op overspel, incest en andere vormen van seksuele losbandigheid. 
  6. Eten van vlees van een levend dier: Het verbod op dierenkwelling, waarbij vlees van een nog levend dier wordt afgenomen. 
  7. Afwezigheid van afgodendienst: Het verbod op het aanbidden van afgoden en het zich richten tot iets anders dan de Schepper. 
Belangrijkheid: 
  • Deze wetten worden beschouwd als de fundamentele basis voor alle menselijke samenlevingen, ongeacht hun religieuze achtergrond.
  • Het Jodendom ziet de opdracht om deze wetten te verspreiden als een manier om de hele wereld te leiden naar universele principes en een stabielere samenleving te creëren.

donderdag, september 18, 2025

Wat is de zienswijze van de bijbel? Zijn Elia en Henoch ten hemel gevaren?

 VOOR een antwoord op die vraag, zal men eerst bepaalde bijbelse feiten moeten overwegen. En daartoe behoort zeker dit: dat de Zoon van God door middel van zijn verschijning op aarde, nu negentienhonderd jaar geleden, „licht heeft geworpen op leven en onverderfelijkheid, door middel van het goede nieuws” (2 Tim. 1:10). Door bemiddeling van hem heeft God aan vele personen „een nieuwe geboorte gegeven tot een levende hoop, tot een onverderfelijke en onbesmette en onverwelkelijke erfenis . . . in de hemelen weggelegd” (1 Petr. 1:3, 4). Jezus Christus zelf was de eerste persoon die tot volheid des levens werd opgewekt, de eerste die tot hemels leven werd opgewekt. — Openb. 1:5.


Jezus was daarom de „voorloper” van degenen die leven in de hemel zouden ontvangen. De geïnspireerde christelijke schrijver schreef over die hemelse hoop: „Deze hoop hebben wij als een anker voor de ziel, zowel zeker als vast, en ze gaat in tot binnen het gordijn [tot binnen het Allerheiligste van de tempel, de vertegenwoordiging van Gods eigen hemelse woonplaats] waar ten behoeve van ons een voorloper is binnengegaan, Jezus, die voor eeuwig een hogepriester naar de wijze van Melchizédek is geworden” (Hebr. 6:19, 20). Deze zelfde schrijver maakt duidelijk dat het gordijn dat toegang gaf tot de allerheiligste afdeling van de tabernakel in de wildernis, een beeld was van Jezus’ vlees (Hebr. 10:20; vergelijk Exodus 26:1, 31, 33). Zolang Jezus in het vlees was, kon hij niet naar de hemel gaan, want ’vlees en bloed kunnen Gods koninkrijk niet beërven’ (1 Kor. 15:50). Door afstand te doen van zijn vlees, zoals er staat, „ten behoeve van het leven der wereld”, en door zijn opstanding uit de doden „in de geest” werd de weg geopend voor degenen die tot het koninkrijk der hemelen zouden worden uitgenodigd. — Joh. 6:51; 1 Petr. 3:18.


Bovendien is Jezus’ opstanding een „waarborg” voor „alle mensen” dat God ook anderen zal opwekken uit de doden (Hand. 17:31; 24:15). Dit zou niet zo zijn als God al door de eeuwen heen rechtvaardige mensen tot hemels leven had opgewekt.


Maar hoe moeten we dan het bijbelverslag over Elia begrijpen, dat luidt: „Nu gebeurde het, terwijl zij [Elia en Elisa] al sprekende verder gingen, ziedaar! een vurige strijdwagen en vurige paarden, en die maakten vervolgens scheiding tussen hen beiden; en Elia voer toen in de storm ten hemel” (2 Kon. 2:11). Ging Elia toen werkelijk naar de hemel, de woonplaats van God? Of stierf hij?


Voor een antwoord daarop beschikken we over de woorden van Gods grootste profeet, Jezus Christus, die ontelbare eeuwen vóór zijn komst naar de aarde, bij zijn Vader in de hemel was geweest. Hij verklaarde: „Geen mens [is] tot in de hemel opgestegen, dan hij die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des mensen” (Joh. 3:13). Sprekend over Johannes de Doper, zei Jezus: „Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is er geen grotere verwekt dan Johannes de Doper; maar wie een mindere is in het koninkrijk der hemelen, is groter dan hij” (Matth. 11:11). Dus ook Elia kan, als iemand die kleiner is geweest dan Johannes de Doper, niet in de hemel zijn.


Wat was dan de „hemel” waartoe Elia in een storm werd opgenomen? Dat was de fysieke hemel, de atmosfeer, het „uitspansel” dat in Genesis 1:6-8 ook met „Hemel” wordt aangeduid. Een windstorm was slechts in dat atmosferische uitspansel mogelijk, niet in het geestenrijk van Jehovah’s hemelse tegenwoordigheid. Elia werd door de windstorm weggenomen uit het zicht van Elisa.


De bijbel zegt echter niet dat Elia bij die gelegenheid stierf. Nee, het blijkt zelfs dat Elia nog op zijn minst vijf jaar later actief en levend als profeet werkzaam was, kennelijk in het gebied van Juda. De bijbel vertelt ons: „Ten slotte kwam er een schrijven tot [Joram, de koning van Juda] van de profeet Elia.” In die brief stond de ziekte en dood van Joram voorzegd wegens zijn verkeerde, goddeloze handelwijze (2 Kron. 21:12-15). Een verder bewijs dat Elia niet is gestorven op het moment dat hij naar de „hemel” werd opgenomen, is dat zijn dienaar en opvolger Elisa niet de gewoonlijke rouwperiode voor zijn meester in acht nam. — Vergelijk 2 Samuël 19:1; 1 Kronieken 7:22; 2 Kronieken 35:24.


Maar Henoch, de zevende in rechte lijn afstammend van Adam, wat zegt de bijbel over hem? Er staat in Genesis 5:24: „En Henoch bleef met de ware God wandelen. Toen was hij niet meer, want God nam hem weg.” Henoch voorzei als een profeet van Jehovah de komst van God met zijn myriaden engelen om het oordeel te voltrekken over de goddelozen (Jud. 14, 15). Waarschijnlijk is hij wegens zijn profeteren vervolgd. God stond echter niet toe dat zijn tegenstanders hem doodden. In plaats daarvan ’nam God hem weg’, waarmee kennelijk wordt bedoeld dat Hij Henochs leven beëindigde op een leeftijd die ver lag onder die van zijn tijdgenoten. Het schijnt dat Jehovah net als in het geval van Mozes’ lichaam, het lichaam van Henoch heeft weggeborgen, want „hij was nergens te vinden”. — Hebr. 11:5; Deut. 34:5, 6; Jud. 9.


Gezien Jezus’ duidelijke verklaring in Johannes 3:13 werd Henoch dus niet naar de hemel, de woonplaats van God, overgebracht. Hij stierf, zoals ook de apostel Paulus na het noemen van Henoch en andere getrouwe getuigen van God, duidelijk verklaarde met de woorden: „In geloof zijn al dezen gestorven, ofschoon zij de vervulling van de beloften niet verkregen hebben, maar zij hebben ze van verre gezien en begroet en hebben in het openbaar bekendgemaakt dat zij vreemden en tijdelijke inwoners in het land waren” (Hebr. 11:13). Deze mannen wisten dat hun beloning nog ver in de toekomst lag. De profeten uit de oudheid wisten dat hun Messiaanse profetieën niet op henzelf van toepassing waren, maar een latere vervulling zouden krijgen. Vandaar ook dat de apostel Petrus het volgende schreef aan degenen die als volgelingen in de voetstappen van Jezus Christus, hun hemelse Voorloper treden: „Betreffende deze redding [beloofd aan Christus’ medeërfgenamen, bestaande uit een hemelse hoop] is naarstig navraag gedaan en een nauwkeurig onderzoek ingesteld door de profeten [onder wie Henoch en Elia], die over de voor u bedoelde onverdiende goedheid hebben geprofeteerd. Zij bleven onderzoeken welk speciale tijdperk of wat voor soort van tijdperk de geest in hen te kennen gaf betreffende Christus, toen die van tevoren getuigenis aflegde van het lijden voor Christus en van de heerlijkheden die daarop zouden volgen. Hun werd geopenbaard dat zij niet zichzelf, maar u dienden met de dingen die u nu zijn aangekondigd door bemiddeling van hen die het goede nieuws aan u hebben bekendgemaakt.” — 1 Petr. 1:10-12.


Kort na de opstanding van Jezus sprak Petrus tot de verzamelde joden op de Pinksterdag over koning David, „een man aangenaam naar [Jehovah’s] hart”, de volgende woorden: „David . . . is niet naar de hemel opgestegen, maar hij zegt zelf: ’Jehovah heeft tot mijn Heer gezegd: „Zit aan mijn rechterhand totdat ik uw vijanden tot een voetbank voor uw voeten stel”’” (Hand. 13:22; 2:34, 35). Zo wachten ook Elia en Henoch, te zamen met vele anderen, in het graf, op het moment dat de Heer Jezus Christus in actie komt en zijn vijanden onder zijn voeten stelt door ze te vernietigen (Hand. 2:29). De glorieuze, op de troon geplaatste Christus zal dan die getrouwe mannen uit de dood opwekken, en hen tot ’vorsten op de gehele aarde’ aanstellen (Ps. 45:16; Openb. 20:11-13). Deze betrouwbare mannen zullen in harmonie met de hemelse Koning samenwerken om rechtvaardigheid en gerechtigheid op aarde te brengen.

Het Onze Vader

 Het Onze Vader 1.Onze Vader, 2.die in de Hemelen zijt, 3.geheiligd zij Uw Naam, 4.Uw Rijk kome, 5.Uw Wil geschiede op aarde als in de Hemel...